Ik behoor tot een generatie geboren in de jaren ’80. Dat betekent dat ik niet in een echte oorlog had geleefd, tot de oorlog van het Syrische regime tegen de Syriërs begon in 2011. Veel mensen kijken jaloers naar dit lange leven in vrede, vooral kinderen die in de huidige oorlog zijn geboren en opgegroeid.

Mijn generatie was geen getuige van de verwoesting van de stad Hama in de vroege jaren tachtig tijdens het conflict tussen de Moslimbroederschap en het regime. Ik werd vlak na deze gevechten in de buurt van deze stad geboren. Maar sinds mijn jeugd verzamelde mijn geheugen herinneringen die ik van mijn ouders en andere mensen hoorde over deze moeilijke periode. Er is geen Syriër, geen Irakees, Libanees of Palestijn wiens oorlogsverhalen geen onderdeel van het geheugen zijn. En naast de herinnering aan oorlogsverhalen, leefden we sinds onze jeugd in voorbereiding op de oorlog tegen Israël en andere vijanden van de natie.

Voor ons was het praatje over oorlog bijna elke dag deel van ons leven. De trommels van oorlog waren er altijd en overal. De voorbereiding op de oorlog was in de slogans die op straten overal hingen en op de muren van instellingen en scholen geschreven. Je zag het op televisie en in onze schoolboeken. Onze scholen waren meer een militaire kazerne dan een gewone school. Vooral in steden kon je ze beter gevangenissen noemen, geen scholen. Hoge hekken, een rechthoekig gebouw en op de ramen een klem. En strenge regels die de vrijheid van studenten beperkten.

Dit zag je terug op alle schoolniveaus. In het begin van de onderbouw van het voortgezet onderwijs, toen ik 12 jaar oud was, moest ik een kakikleurig militair pak dragen als schooluniform. Dit uniform liet geen onderscheid of verschil toe, hoewel de arme klasse het leuk zou hebben gevonden om niet meer dan één uniform per jaar voor hun kinderen te hoeven kopen. Dit uniform werd verplicht op Syrische scholen vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen Syrië beïnvloed begon te worden door de Sovjet-ideologie.

Naast de vakken natuurkunde, aardrijkskunde en geschiedenis, werd ons verplichte het "het militaire vak" opgelegd. Het doel, zoals afgekondigd door het Wetsdecreet, was om een ​​ethische generatie op te bouwen. De leraren van dit vak waren militaire officieren die van het leger naar scholen werden gestuurd als straf voor een fout of een overtreding in hun werk. Het was hun taak om studenten discipline op te leggen, hen te dwingen beleefd te zijn en een generatie te creëren die niet out of the box zou denken.

Wat kun je verwachten van een kind dat zich als een militair heeft moeten kleden en zich vanaf het begin van zijn schooldag tot aan zijn slaap aan dagelijkse bevelen en regels moest houden? Hoe kan zo'n kind zijn jeugd leven en het leven en alles om hem heen ontdekken? Wanneer de leider en de heersende partij en de voorbereiding op de noodlottige oorlog die niet plaatsvond, alles is wat je omringt en je belegert, welke kindertijd leef je en welke toekomst wacht je?

Als kinderen maakten we ons niet alleen zorgen over het schrijven van huiswerk en het behalen van goede cijfers. Ook trilde elke ochtend ons hart van angst als we naar school gingen. De deur van de school leek wel een militair checkpoint. De leraar van het militaire vak was zoals het legendarische monster waar je langs moet om het kasteel en de slapende prinses te bereiken. Het wapen van dit monster was verbaal en fysiek geweld. Zijn missie was om iedereen te straffen die het durfde zijn kapsel onderscheidend te laten zijn, of zelfs maar als de kleur van zijn sokken anders was dan de sokken van de rest van de kudde.

Deze arme koning heeft één dag per jaar en de rest van het jaar is voor de Nederlanders. Maar bij ons zijn alle dagen van het jaar van hem

De liefde van de leider was belangrijker dan de liefde van het vaderland. Het vaderland was de leider en je kon ze niet scheiden. De leider belegerde ons, zijn woorden en zijn afbeeldingen waren overal. Zelfs op de schriften en leerboeken was de leider aanwezig. Zijn gezicht had geen uitdrukkingen, hij keek gewoon recht in je ogen. Alsof hij je vertelde dat hij alles in de gaten had en alles wist wat je deed en wat je dacht.

Hier in Nederland vieren de Nederlanders Koningsdag. Degenen die van ver kijken, denken misschien dat ze hun koning aanbidden. Maar deze arme koning heeft één dag per jaar en de rest van het jaar is voor de Nederlanders. Maar in ons land lopen we ver voor op de Nederlanders. Wij hebben geen presidentsdag, bij ons zijn alle dagen van het jaar van hem. Maar wat blijft er dan over voor ons?